Waarom wordt én blijft men coöperant van een ondernemingencoöperatie?

Cera Coop Research

Waarom wordt én blijft men coöperant/vennoot van een ondernemingencoöperatie? Welke rol speelt de grootte van het bedrijf van de coöperant?

Deze vraag staat centraal in de masterthesis van Jef Desmedt, Laurens Fievet en Ariël Verschueren, begeleid door promotor dr. Stefanie Friedel van het Kenniscentrum voor Coöperatief Ondernemen (KCO) aan de KU Leuven. Ze gingen na waarom land- en tuinbouwers al dan niet toetreden tot een coöperatie. En op langere termijn actief willen participeren – en meer specifiek of deze motivaties verschillen naargelang de schaal van het tuinbouwbedrijf van de coöperant zelf.

Noot van Cera: hoewel deze studie gaat over ondernemingencoöperaties in de land- en tuinbouwsector, vermoeden we sterk dat de bevindingen ook grotendeels van toepassing zijn in ondernemingencoöperaties in andere sectoren.


Wat kunnen – agrarische - coöperaties concreet doen?

  • Ondanks of net door de toenemende diversiteit van coöperanten, zet in op versterking van het gevoel van verbondenheid en ledenbetrokkenheid door middel van transparante communicatie via verschillende kanalen, regelmatige feedbackmogelijkheden en participatief bestuur met voldoende inspraak voor grote én kleine coöperanten. Coöperanten die het gevoel hebben dat de coöperatie hun waarden deelt, ontwikkelen doorgaans meer vertrouwen en vertonen daardoor een hogere betrokkenheid. Daarnaast kan succesvolle inclusieve besluitvorming intern ook ruimer als inspiratie dienen voor veerkrachtige samenwerkingen in een globale markt.
  • Omarm de diversiteit door servicemodellen op maat van zowel grote als kleine coöperanten in te voeren, bijvoorbeeld op vlak van opt-in en opt-out diensten voor logistiek, branding, certificering of duurzaamheidsstandaards; gedifferentieerde ondersteuningsstructuren, prijsmechanismen en participatiemogelijkheden afhankelijk van het profiel van de coöperanten.
  • Denk aan de generatiewissel en investeer in verjonging: verhoog de toegankelijkheid en betrokkenheid voor jonge coöperanten door te investeren in digitale kanalen, programma’s rond onboarding en een mentorwerking.

Wat zegt de literatuur over motivaties voor coöperatief lidmaatschap en participatie?

Het onderzoek is gebaseerd op een veelgebruikte theorie in onderzoek naar coöperaties algemeen, de zogenaamde ‘Mutual Incentives Theory’ oftewel ‘theorie van wederzijdse stimulansen’ (Birchall & Simmons, 2004). Volgens deze theorie is er een onderscheid tussen enerzijds individualistische en anderzijds collectivistische motivaties. Deze vormen een samenspel, waarbij doorgaans de laatste een grotere invloed hebben voor het lidmaatschap en ledenbetrokkenheid op langere termijn.

  • Individualistische motivaties voor het lidmaatschap bij coöperatie komen voort uit een persoonlijk voordeel, voornamelijk economische stimulansen zoals betere prijzen en risicospreiding, ofwel verbetering van de eigen kennis en status.
  • Daarentegen doelen de collectivistische motivaties veel meer op gemeenschappelijke drijfveren zoals solidariteit, gedeelde waarden en een gevoel van verbondenheid in de coöperatie.

In de land- en tuinbouwsector hebben coöperaties van oudsher geholpen om uitdagingen zoals onstabiele markten, hoge transactiekosten en beperkte onderhandelingsmacht het hoofd te bieden. Door zich bij een coöperatie aan te sluiten, kunnen land- en tuinbouwers hun producten collectief op de markt brengen, betere prijzen bedingen en toegang krijgen tot bredere markten.

Volgens bestaand onderzoek zijn dit vooral voor kleinere en jongere boeren belangrijke drijfveren om coöperant te zijn van een coöperatie. Uit recenter onderzoek blijkt echter dat ook (grote) boeren voornamelijk worden gedreven door zakelijke relaties en economische voordelen. Deze zijn vooral cruciaal voor het aantrekken van nieuwe coöperanten, terwijl collectivistische motivaties een belangrijke rol spleen voor participatie op langere termijn. Een andere studie stelt daarentegen dat vooral jongere boeren doorgaans meer belang hechten aan coöperatieve idealen, terwijl andere onderzoekers wederom constateren dat de waargenomen voordelen van het lidmaatschap (zeggenschap, markttoegang, dienstverlening) variëren en afhankelijk zijn van de omvang van het landbouwbedrijf en de behoeften van verschillende productiesectoren.

Wat betreft de democratische participatie van coöperanten in de besluitvorming van de coöperatie, wordt in de bestaande literatuur gesteld dat grote boeren gemakkelijker kunnen deel uitmaken van het bestuur doordat ze meer flexibiliteit in arbeidskrachten hebben, terwijl kleinere boeren teveel tijdsdruk ervaren vanwege de beperkte ondersteuning op het bedrijf zelf. Eerder onderzoek heeft ook uitgewezen dat grote landbouwbedrijven eerder profijt halen uit participatie omdat zij meer in de coöperatie investeren, terwijl kleinschalige en jonge producenten een drempel kunnen ervaren om coöperant te worden omdat het aandeel te duur kan zijn, of omdat ze nog niet voldoende kennis en ervaring meebrengen om effectief betrokken te zijn bij de besluitvorming.

Maar hoe kijken onze Vlaamse land- en tuinbouwers naar deze kwestie?

De drie masterstudenten hebben een kwalitatieve studie opgezet met als doel diepere inzichten te verwerven in de beweegredenen van land- en tuinbouwers in Vlaanderen. Zo onderzochten ze in totaal elf landbouwbedrijven, al dan niet coöperant (geweest) van een coöperatie, zowel telers van tomaten, aardbeien en peren. Daarbij werden de drempels voor een klein of respectievelijk groot bedrijf vastgelegd met behulp van eerdere studies. Zo lag in dit thesisonderzoek de drempel voor grote landbouwbedrijven op 2,5 hectare voor tomaten, 2,4 hectare voor aardbeien en 45 hectare voor peren. Landbouwbedrijven onder deze drempel werden als klein beschouwd, die erboven als groot. Daarnaast voerden de studenten interviews met vier experten, zowel managementleden van landbouwcoöperaties als vertegenwoordigers van boerenverenigingen.

Uit de interviews blijkt dat financiële voordelen voor alle boeren de belangrijkste reden zijn om coöperant te worden van een coöperatie. Betere prijzen, een stabielere markt en risicospreiding worden consequent genoemd als de fundamenten van het lidmaatschap. Voor de meeste respondenten zijn dit de bouwstenen die bepalen of hun bedrijf op de lange termijn kan overleven.

Collectivistische motieven en coöperatieve idealen, zoals het gemeenschapsgevoel, worden overheen alle interviews niet genoemd als voornaamste drijfveer voor het lidmaatschap van een coöperatie. Het blijkt veeleer een bijkomstig voordeel te zijn dat door de coöperanten weliswaar wordt gewaardeerd, maar dat geleidelijk in betekenis daalt hoe groter het bedrijf wordt. Grotendeels worden de collectivistische motieven geïnternaliseerd als individuele belangen – wat de vraag doet rijzen of gezamenlijke doelen oprecht de collectieve, coöperatieve identiteit versterken, of simpelweg geapprecieerd worden om hun instrumentele waarde.

Dit toont aan dat er in de praktijk geen zuiver onderscheid kan gemaakt worden tussen de twee uiteenlopende motivaties, die op een complexe manier met elkaar verweven blijken te zijn.

Daarnaast wordt overheen de interviews de algemene tendens bevestigd dat het lidmaatschap van coöperaties diverser is geworden. Dit vraagt om een strategie waarin diensten en contracten beter zijn afgestemd op de grootte en ambitie van de aangesloten bedrijven. Kleine bedrijven hebben behoefte aan traditionele zekerheden en infrastructuur, terwijl grote spelers alleen coöperant blijven als er ook ruimte is voor maatwerk en ondernemerschap.

Grote landbouwbedrijven in het onderzoek zien de coöperatie dan ook meer als een strategische partner en minder als een dienstverlener. Dit vindt zijn weerslag in het feit dat coöperaties toenemend inzetten op een aanbod op maat voor coöperanten met grotere bedrijven, soms doen ze zelfs aan co-investeringen voor innovaties. Maar ze beargumenteren dat dit op de lange termijn alle coöperanten, dus ook kleinere bedrijven, ten goede komt. Dit gaat echter niet op voor bedrijven die geen opvolger hebben of meer op zoek zijn naar voordelen voor hun eigen bedrijf op korte termijn (het zogenaamde horizon-probleem van coöperaties).

De bevraagde grotere producenten in het onderzoek hebben bovendien vaak meer autonomie om te bepalen hoe ze hun producten verkopen, waarbij de coöperatie ondersteuning biedt. Dit kan gaan over aanvullende diensten op hun eigen commercialisering, maar vindt zeker zijn vertaalslag in meer contractverkoop, buiten het traditionele klokverkoopsysteem van de veiling om.

Daarentegen zijn kleinere producenten echt economisch aangewezen op de coöperatie voor toegang tot de markt en administratieve ondersteuning. Door deze afhankelijkheid zijn ze ook gevoeliger voor veranderingen in de structuur en het bestuur van de coöperatie.

Dat bestuur is er niet gemakkelijker op geworden: de respondenten wijzen op de veranderende verwachtingen ten aanzien van diensten die de coöperatie levert, en de toenemende eisen met betrekking tot marktprestaties en duurzaamheid. Net zoals in de bestaande literatuur, blijkt ook in dit onderzoek dat jongere boeren minder actief deel uitmaken van het bestuur. Ze geven aan dat dit ligt aan beperkte ervaring en tijdgebrek, maar evenzeer schatten ze hun potentiële invloed binnen de huidige besluitvormingsstructuren als zwak in.

De toenemende diversiteit van de coöperanten komt evenzeer terug in de interviews. Meer algemeen voelen coöperanten aan dat de coöperatie minder oog heeft voor hun verschillende en veranderende behoeften: voornamelijk land- en tuinbouwers met net wat extra ondernemersdrang ervaren de prijssetting van de coöperatie als te gestandaardiseerd. Daardoor wordt volgens hen bijzondere productkwaliteit en innovatie niet beloond binnen de coöperatie. Toch kiezen grote, kapitaalkrachtige en ondernemers vaak ervoor om coöperant te blijven van de coöperatie, mogelijks minder vanuit persoonlijke motivaties maar meer vanuit een structurele marktlogica: de coöperatie verlaten zou leiden tot meer concurrentie van telers onderling, wat de markt zou kunnen fragmenteren en destabiliseren.


Bron: masterthesis van Jef Desmedt, Laurens Fievet en Ariël Verschueren, begeleid door promotor dr. Stefanie Friedel van het Kenniscentrum voor Coöperatief Ondernemen (KCO) aan de KU Leuven. Een samenvatting in het Engels wordt eveneens gepubliceerd op de blog van het KCO: https://feb.kuleuven.be/drc/kco/blogDe integrale versie van deze masterthesis (in het Engels) kan aangevraagd worden via kco@kuleuven.be


Selectie van bronnen:

Alho, E. (2015). Farmers’ self-reported value of cooperative membership: Evidence from heterogeneous business and organization structures. Agricultural and Food Economics, 3(1), 23. https://doi.org/10.1186/s40100-015-0041-6

Ajates, R. (2020). Agricultural cooperatives remaining competitive in a globalized food system: At what cost to members, the cooperative movement and food sustainability? Organization, 27(2), 337-355.https://doi.org/10.1177/1350508419888900

Sánchez-Navarro, J. L., Arcas-Lario, N., Bijman, J., & Hernández-Espallardo, M. (2024). The role of agricultural cooperatives in mitigating opportunism in the context of complying with sustainability requirements: Empirical evidence from Spain. Agricultural and Food Economics, 12(1), 40. https://doi.org/10.1186/s40100-024-00332-8

Siedlok, F., Callagher, L., Elsahn, Z., & Korber, S. (2024). Strategy Performation to Avoid Degeneration: How producer cooperatives can achieve social and economic goals. Organization Studies, 45(1), 31-57. https://doi.org/10.1177/01708406231193255


Blijf op de hoogte van de coöperatieve wereld

Abonneer je op onze nieuwsbrief Cera Coop News